Misschien laten de namen Pieter Coecke en Guilliam Caudron een belletje rinkelen. De kans is zelfs groot dat u hun gezicht al gezien heeft. De bustes van beide heren Katrienen zijn immers te bewonderen in Het Katrientje. Terecht. Beide figuren genoten veel aanzien in de hoogste kringen van hun tijd en ze hebben voor een groot stuk de Vlaamse cultuurgeschiedenis mee vorm gegeven.

Pieter Coecke werd in 1502 in Aalst geboren als de zoon van Barthel Coecke, de schoonbroer van Dirk Martens en mythische uitvinder van de beiaard. Pieter kreeg kunst en cultuur waarschijnlijk met de paplepel binnen van zijn familie. Hij bekwaamde zich tijdens zijn leven immers als schilder, beeldhouwer, prentkunstenaar, architect, auteur en tekenaar. Alsof dat nog niet genoeg is, had hij ook een goede kennis van het Latijn, Italiaans, Vlaams, Frans en Duits. Daarnaast maakte hij reizen naar Constantinopel en Italië, waar hij de renaissancekunst leerde kennen. Coecke heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan het verspreiden van de Renaissance naar het Noorden met zijn werken maar ook door zijn boeken.

Pieter had, op zijn zachtst gezegd, een turbulent liefdesleven. Hij trouwde voor een tweede keer na de dood van zijn eerste vrouw  en had tussendoor een affaire. Dat resulteerde in maar liefst zeven kinderen. Hij wist duidelijk waar de beiaardklepel hing. Dankzij al dat gerampetamp kon hij de schilderswerkplaats van zijn eerste schoonvader overnemen. Na enig succes opende hij een tweede werkplaats in Brussel. Daar leerde hij in 1545 Pieter Brueghel de Oude kennen. Brueghel ging in de leer bij hem en verdiende er zijn kost en inwoon. In 1563 trouwde Brueghel met zijn dochter Maycken, waardoor beide heren familie werden van elkaar.  Coecke was een bezige bij en schilderde een 85-tal schilderijen bij elkaar. Vlak voor zijn dood in 1550 werd hij hofschilder van keizer Karel V.

Guilliam Caudron sr. heeft Coecke nooit ontmoet, aangezien hij pas geboren werd in 1584. Caudron sr. is een belangrijke literair-historische figuur, in eerste instantie om zijn plaats in het literaire leven van zijn tijd maar ook door zijn eigen werk. Hij schreef het bijbelstuk Nabugodonosor, waarmee hij de basis legde voor de overgang van de middeleeuwen naar de renaissance. Zijn zoon, Guilliam Caudron jr., zou factor, de vaste dichter, geweest zijn van onze rederijkerskamer. Beide heren hadden een plaats in de ontwikkelingsgeschiedenis van de dramatische dichtkunst. Samen met Pieter Coecke schreven ze geschiedenis in Aalst, Vlaanderen en de Westerse Wereld en hadden ze een omvangrijke invloed in de cultuur van toen. Samen met hun verwezenlijkingen staat de ‘Aloude Rederijkers Gûlde De Catharinisten’ voor altijd in de geschiedenisboeken. Geef ze gerust een schouderklopje als u ze passeert in het Katrientje.

Voorname leden?